Kom maar, lieve schat
Begraaf jezelf
Tussen mijn pilaren
Laat me je naar plekken nemen
Van zonde en genot
Kom maar, offer je ziel
Ik zal je schenken
Dat wat ieder man begeert
Kus mijn clit en je lichaam
Zal met het mijne dansen
Als met de duivel
Kom maar, troost jezelf
Eis me en je hebt me
Wees niet zacht,
(daar ben ik niet voor gemaakt)
Bezit me, als een beest
En je zal zien,
De duivel maakt geen slechte deals
Kom maar, neem me
Bind me en breek me
Wij, samen,
zijn zielloze monsters
Laten we elkaar zo begeren,
Als wilde geliefden
Door te neuken
Tot we sterven
Stille schreeuw
Ik denk aan ze
Pillen
Ik verlang naar ze
Stillers
Stiller
Stil
Stil, was het maar
…..
Was het maar…
STIL
Want alles schreeuwt
Waarom schreeuw je?
…Schreeuw je?
SCHREEUW!
Schreeuw
Astrolabium
Hoe zal ik je vinden?
Jij, die veel groter is
dan mij,
dan ieder
Tussen donkere materie
en sterren, zoek ik
een weg
tot onze hemellichamen zich
op dezelfde elevatie bevinden
Hoe zal ik je raken?
Jij, als een aards verschijnsel
Te snel
Te onverwachts
Jij, moordadig schoon
Gespiegeld kijken we
elkaar uitdagend aan
tot we botsen
en versmelten tot één
We zijn hemellichamen, die bewegen
Op dezelfde positie
Op aarde
keert het getij
Maar wie ben je?
Mijn ongekende missende ster
Wie ben je?
Voor wie ik van zover ben gekomen
Wie ben je?
Ik heb je gezocht
En gevonden in de oneindigheid
Dodenrit
In het oog van
De kat
Schuilt de geest van
Een dode
Zie de glans en ruik de ziel
Voelen?
Absurd!
Onmogelijk…
Aai hem op zijn kop
Je zal horen, het spinnen
Dat is oma
Ze maakt een trui
Zeg maar niets
Ook niet over de stank
Zet je ooglappen op
Doe nog een toertje in de stad!
Als een koetspaard
Sta je gespannen
Voor een rit
Naar je eigen dood
Nachthemel
Aanslag op aders
Op leven
De sterren kijken
Betreuren en voelen
Pijn
Pijn
Pijn
Haat
Een storm
In jezelf
In de nacht
Op je huid
Op je tong
Pijn
Pijn
Pijn
Geen exit
Een uitlaat
Geen haat
Vrijheid
Pijn
Pijn
Pijn
Sterren
Vol liefde
Hij
Schijnt het felste
Hij
Betreurt het diepste
Pijn
Pijn
Pijn
Liefde
Zomaar
Ginds verder zit een kat zijn denkbeeldige ballen te likken
Die waren na een bezoek aan een vreemde man
zomaar in het niets verdwenen
Hij likt nu leegte
En wat verder staat een kind waarvan de ouders, net zoals de ballen van de kat, ooit
zomaar in het niets verdwenen
Hij voelt nu leegte
Er komt een wind aan. Hij kondigt zichzelf aan via de bomen. Hij neemt de kat en het kind met zich mee.
En ineens staat daar een neushoorn
Ik weet niet wat het betekent.
Ik weet niet wat er met me gebeurd
10 seconden later is de hoorn van de neushoorn
zomaar in het niets verdwenen.
Hij bloedt in leegte
Ik sluit mijn ogen.
Mijn gehoor veel scherper
Ik hoor geschreeuw en nee, het is niet van een meeuw.
Ook niet van een andere vogel.
Het is van mensen in gaskamers
en mensen die op hun knieën zakken.
Wanhopig en vervuld van pijn.
Hun kind in de armen met tranen op hun kleine gezichtjes.
Ze ruiken de ovens, net als mij, en als ik nu mijn ogen zou openen
Dan zou ik zwarte sneeuw zien.
Ze zullen daar sterven.
We zullen allemaal sterven
We sterven in leegte
Ik open mijn ogen.
De neushoorn,
die is weg.
Zomaar in het niets verdwenen.
Ik hoor nu leegte
Ik wou dat ik ze dicht had gehouden.
De straat is overspoelt.
Opnieuw is er de geur van dood.
Nu vermengd met die van de zee.
Het is een meeuw die schreeuwt.
Hij zit op een drijvend lichaam.
Gezicht naar beneden.
Ze stoppen op de plaats waar de neushoorn en de kat zich hadden bevonden.
De meeuw kijkt me aan.
Alsof ik degene ben die het beest is
Al doen we beide niets
Maar ik voel de pijn en ik leef mee.
Is dat niet al iets?
Maak het jezelf maar wijs.
Er staat een man bij het lichaam.
Nu pas, merk ik hoe klein het is.
Als hij het optilt, begint de peuter te huilen.
De helft van zijn gezicht is weg.
De man draait zich om.
Kijkt me aan.
De meeuw is zomaar in het niets verdwenen.
Misschien wel in de bodemloze zwarte ogen van de man.
Het kind huilt niet meer.
Het had nooit gehuild.
Hij was dood.
Ooit ga ik ook dood.
Maar niet in de seconde de net alweer voorbij ging.
Misschien wel in degene die na deze zin zal komen.
Maar wie zou ik zijn om mezelf het voorrecht te geven- dat niemand heeft- om niet midden in een zin te